Amsterdam, 27 juli 2010 — De levering van standaardsoftware valt volgens het Amsterdamse Gerechtshof onder het kooprecht van het Burgerlijk Wetboek. Daarmee krijgen licentienemers voor het eerst een wettelijk recht op een stevige kwaliteitsnorm. Het afgeleverde computerprogramma moet namelijk ‘aan de overeenkomst beantwoorden’. Nieuwe jurisprudentie ligt in het verschiet, omdat de softwaresector waarschijnlijk snel meer duidelijkheid wil hebben over deze wettelijke verplichting en gebruikers hun zojuist verworven garantierechten graag in bestaande contracten bevestigd willen zien.
Dat blijkt uit de zojuist verschenen trendanalyse
Garantierechten en softwarekwaliteit van bedrijfsjurist en industrieanalist Mr. Victor de Pous.
Creatieve rechter
Juristen voeren al decennia lang discussie of de koop van het gebruiksrecht op een computerprogramma tevens een koop in de zin van het Burgerlijk Wetboek is. De heersende leer beantwoordt de rechtsvraag hoofdzakelijk negatief, omdat de koopregeling bedoeld is voor
fysieke producten, zoals een televisie of een auto en niet voor zoiets ongrijpbaars als software. Programmacode is geen voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object.
‘Maar het Amsterdamse hof bedacht een innovatieve, analoge redenering om software toch onder het koopregime te brengen’, aldus De Pous. ‘De rechter stelt de levering van een softwarepakket
op basis van een langdure licentie namelijk gelijk aan de levering van een vermogensrecht en volgens het Burgerlijk Wetboek zijn hierop de regels van de koopovereenkomst van toepassing. Verkopers, dus niet alleen softwareproducenten maar bijvoorbeeld ook dealers, moeten nu garanderen dat het softwareproduct aan de overeenkomst beantwoordt.’
Stevige minimumnorm
De nieuwe kwaliteitsnorm heeft veel weg van het door de industrie rigoureus afgewezen ‘fitness for purpose’-beginsel, want op basis van de uitspraak in hoger beroep moet standaardsoftware in Nederland vanaf heden minimaal voldoen aan de redelijke verwachtingen die een gebruiker heeft en tevens de eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn. Dat wordt conformiteit genoemd.
Op welke wijze de open normstelling precies ingevuld gaat worden, hangt af van de opvattingen van rechters in concrete zaken. In ieder geval is rechtspositie van softwaregebruikers door de verassende visie van het hof aanzienlijk verbeterd. Zo lang de Hoge Raad zich niet over deze materie heeft uitgesproken, geldt in beginsel de analoge redenering van het Amsterdamse Gerechtshof.
‘Maar daarmee is onduidelijk hoe de nieuwe kwaliteitsnorm zich verhoudt tot de levering van maatwerksoftware, open source software, software als dienst (SaaS) en cloud-computingdiensten’, waarschuwt De Pous. Ook om deze reden zal het arrest waarschijnlijk spoedig voor verdere jurisprudentie in dit domein zorgen.
Noot voor de redactie:
Garantierechten en softwarekwaliteit, Amsterdam, 2010. De auteur houdt zich sinds 1983 bezig met de rechtsaspecten van elektronische technologie en de informatiemaatschappij. Eerder verschenen van zijn hand onder meer
In and out-of-office working; Juridische aspecten van Het Nieuwe Werken voor werkgevers (2009),
Zakendoen met de overheid;
Public procurement voor ICT-leveranciers (2010) en
Cloud computing in juridisch perspectief (2010).
Mr. V.A. de Pous
Julianapark, Anton Constandsestraat 16
Postbus 51005, 1007 EA Amsterdam
Voice: 020 - 665.57.38
E-mail:
depous@planet.nl
Blog:
depous.blogspot.com
Fonds :
technologierecht.blogspot.com